De kelner lag op tweehonderd wollen dekens die een vrachtwagen van de verbindingsloopgraven naar het front bracht. In de middag ontwaakte hij uit kwade dromen waarin achtduizend spijkers tegen hem oprukten. ‘Stop, in hemelsnaam stop,’ riep hij tegen de wind in. De chauffeur, die de kelner als ‘gewond’ naar het dichtstbijzijnde lazaret bracht, besteedde geen aandacht aan het geschreeuw. ‘Wat stop, in het hele leger is er geen sprake meer van stoppen.’ Hij gaf gas en ratelde nog sneller verder. Terwijl de kelner van de ene naar de andere kant werd gesmeten, slingerden zijn hoofd en armen en benen alle kanten op alsof hij een lappenpop was. Het voelde alsof er spijkers aan zijn benen zaten die zich in zijn vlees boorden. ‘Neem ons mee, het is al laat.’ En vanuit het middernachtelijk uur zag hij nog eens achtduizend spijkers oprijzen en voelde reeds de punten van zestien-, vierentwintig, tweeëndertigduizend, nee oneindig veel nieuwe kwellers als een hagelstorm op hem afkomen. Stemmen gonsden in zijn oor. ‘We willen vastgespijkerd worden.’ En hij lachte als een idioot en knikte: ‘Ik ben vastgespijkerd, we zijn allemaal vastgespijkerd, de hele wereld is met planken dichtgespijkerd!’ - Maar zijn pijnkreet was nog niet weggestorven of de bomen langs de weg vielen voor hem neer als tinnen soldaatjes. De ene populier na de andere. Ze kropen weg onder het geweld van alles verscheurende zagen en voor hij adem kon halen, rukten ze naar hem op; witte planken, houten skeletten. Ze bouwden zich voor hem op tot een heuse stellage, waarin ze het zichzelf gerieflijk maakten. Als zoemende bijen boorde het spijkerleger zich een weg door hun vlees. IJzeren golfplaten vormden zich tot een dak boven de stelling. Zoals een dromer raadt dat hij droomt, zo voelde ook de kelner de absurditeit van dit alles. Niettemin, liep hij door de stellages, die zich vermenigvuldigd hadden alsof het ruime barakken waren. Hij had er zeker vijftig geteld toen zijn ogen stootten op een kamp van vijfhonderd tenten, grote en kleine. Het geluid van drieduizend stuks gereedschap hamerde op zijn hoofd. De aarde waarop hij zich uitgeput neerlegde, was zo hard dat hij kreunde, maar meteen, alsof engelen ze aandroegen, zweefden geurige heidevelden naar beneden die zich overal, zacht als wolken, uitspreidden. Hij zag naast zich hele regimenten tollend van de slaap wegzinken. Zelfs paarden gingen liggen en bewogen zich niet meer. Plotseling klonk er een schelle schreeuw van dorst. Als in een zigeunerkamp renden mensen en dieren in verwarring rond op zoek naar water. Toen sprong hij op, want hij kende de bronnen, en rende voort, aan het hoofd van duizenden, tot zijn wichelroede boog. Hij gaf hun te drinken, meer dan achtduizend in een uur. Een stem in hem zei hem dat niet hij de toverbron had geopend op de glooiingen van de citadel van Montmédy. Toch zweefde hij verder door zijn droom, blij dat hij de geheimen wist. Emmers schoten als paddenstoelen omhoog, vijfentwintigduizend per week, en hij gaf ze met een glimlach aan allen die ze nodig hadden.
Als een koning stond hij te midden van zijn volk. Maar toen werd de hemel donker. De lucht werd verstikkend. Zijn innerlijke stem fluisterde hem weliswaar toe dat het de rook was van dertienduizend kachels die elke week aan de troepen werden geleverd, maar toch strekte hij zijn armen uit en riep: ‘Moeten we allemaal stikken?’ Veel van zijn soldaten met kapotte longen hapten reeds zwoegend naar adem. Toen maakte hij tekens in de lucht en onmiddellijk daalden er vreemde ogen neer die zich op de neuzen en monden van allen neerlegden. Een gemompel van opluchting ging door de rijen: ‘Gasmaskers.’ Nu danste er gas om de mannen heen, als de dood zelve, maar het vond geen stervende longen. Toen lachte de kelner luid met heel zijn volk. Uit leedvermaak lachten ze zo hard dat barakken en tenten in een oogwenk als kaartenhuizen ineenstorten, maar ze waren lichter dan papier want het was de wind die om zijn neus speelde. - Hij kwam uit verre verten, uit bruine heuvels waarvan de hellingen bedekt waren met ruïnes en schapen. Vanaf witte kruisen zweefden adelaars rustig de horizon tegemoet. Verlaten loopgraven trokken helmen en patroongordels van gevallen soldaten in hun rottende drek. Hij werd wakker en merkte dat de vrachtwagen hem vervoerde over de weg van Marville naar Saint-Laurent. ‘Is werkelijkheid droom of dromen we de werkelijkheid?’ Hij bracht zijn gedachten naar vastere grond: het verleden. Hij dacht aan zijn kelnertijd. Hij herinnerde zich hoe parasols als zeldzame bloemen wuifden op hotelterrassen. Hoe hij ijspunch ronddroeg en heerlijke lippen aan rietjes zag zuigen. Hij liet zijn tong langs zijn tandvlees en lippen glijden en zag ranke automobielen als zwanen aan komen glijden terwijl grind tegen marmeren trappen spatte. Toen riep hij: ‘Ah, heb medelijden, heb medelijden! De wegen, die vreselijk wegen! - Geef ons mensen, geef ons spaden!’ Maar voor hij verder een woord kon uitbrengen, strekten zich tweeduizend armen uit en grepen evenzovele houwelen en schoppen, en meer. Wagonladingen basaltgruis vulden alle gaten in de wegen. Stoomwalsen plette het en maakten het glad. Bruine mannen, een groep gevangenen met witte, rode en oranje petten en schouderriemen werkten dag en nacht en veegden de modder ter zijde. In zijn koorts dacht hij nu dat hij in een bruiloftskoets zat en hij lachte ongecontroleerd om de gouden serpentines, de vrolijk opgetuigde paarden en de koetsier met de zilveren kokarde op zijn zweep. Maar plotseling vielen de paarden, verstrikt in prikkeldraad, dat langer en langer werd en zich, voorzien van vlijmscherpe punten, onophoudelijk rond de koets wond, rond de mannen, rond vriend en vijand, rond de hele aarde. Verpletterd onder het gewicht probeerde hij overeind te komen. ‘Waarom wurg je mij, waarom snijd je me de adem af?’ Maar over een gebied van honderden mijlen zag hij niets dan prikkeldraad en prikkeldraad. Lange vingers graaiden in zijn hersens en trokken de zenuwen naar buien, naar het draad. De vrachtwagen stopte in Saint-Laurent bij de vlag van het Rode Kruis. Een arts vroeg: ‘Kan hij lopen? ‘Zo niet, dan twee mannen hierheen!’ Brancardiers stapten naar voren. ‘Wat?’ - Als in een halfslaap hoorde de kelner alles wat er om hem heen gebeurde - ‘Gek?’ - Hij worstelde zich overeind maar werd neergedrukt. ‘Het oude verhaal. Zenuwinzinking.’ - ‘Gek?’ schreeuwde de kelner. ‘Ik niet, bij God ik niet!’ Hij vocht zich omhoog, terwijl hij met zijn handen naar zijn keel klauwden als om zich ergens van de bevrijden. ‘Help me!’ riep hij. ‘Help me!’