Uitgeverij Dulce et Decorum Wie in Nederland iets wil lezen over de Eerste Wereldoorlog kan putten uit een groeiende hoeveelheid in het Nederlands vertaalde non-fictieboeken. Vertaalde fictie is echter minder voorhanden. Uitgeverij Dulce et Decorum wil in deze leemte voorzien …. Meer lezen

Aanbieding ter gelegenheid

van de uitgave van deel 14

van de Bibliotheek

van de Eerste

Wereldoorlog ...

 

Voor slechts € 20,00 (voor Nederland geen verzendkosten) kiest u 3 van de eerste 8 delen. Deel 6, Witte zwanen, zwarte zwanen van Jennifer Johnston, is alleen in de aanbiedingsdoos te krijgen.

Dit is dé gelegenheid om kennis te maken met de schitterende boeken van de Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog.

AANBIEDING:

klik op de afbeelding

 

De Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog

De meest bijzondere romans, verhalen, dagboeken en memoires worden vertaald en uitgegeven onder de noemer van De Bibliotheek van de Eerste Wereldoorlog. 

William March – Compagnie K 

Dalton Trumbo – Stiltewoorden  

Paul Alverdes – Het Fluitersvertrek 

Thomas Boyd - Door het koren

Francis Brett Young - Mars op Tanga

Jennifer Johnston - Witte zwanen, zwarte zwanen 

E.E.Cummings - De Enorme Zaal

Harry Oltheten - Dauw

De Oorlogsherinneringen van Frank Richards, 1914-1918 

James Hanley - De Duitse gevangene / Passie in het aangezicht van de dood

E.P.F.Lynch - Modder van de somme

Bob Latten - Poststempel Verdun

Fritz von Unruh - Offergang

R.H.Mottram - De Spaanse Hoeve
Meer lezen

Bestellingen:

U kunt bestellen door een e-mail naar de uitgeverij te sturen [info@dulce-et-decorum.nl]. U krijgt dan een e-mail terug met de betalingsgegevens. 

1 mei verschijnt Offergang

'In Offergang is Fritz von Unruh als een beeldhouwer die woorden uit rotsen houwt.'

       

In de jaren ’10 en ’20 van de vorige eeuw was Fritz von Unruh een heldere ster aan het Duitse literaire firmament, een ster die in de decennia daarna verbleekte. Zeker, hem ontging nagenoeg geen enkele belangrijke literaire prijs, maar zijn werk werd niet gelezen of opgevoerd. Als bewonderde jonge rebel was hij in 1912 de Duitse literatuur binnengekomen en hij zou een leven lang zijn naam eer aandoen. Hij verontrustte zijn tijdgenoten die met rust gelaten wilden worden, en stak de angel van zijn scepsis in hun geweten. Altijd bleef hij op zoek naar een nieuwe en betere ordening van de realiteit en van de menselijke verhoudingen. Zijn hele leven zette hij zich in voor een broederschap der mensen. Hij schreef vol engagement over de dingen die hem bewogen. Al aan het begin van zijn loopbaan toonde hij zich een politiek schrijver die wars was van idyllische romantiek en niets moest hebben van de ivoren toren-houding. In 1910 begon het gebinte van het burgerhuis her en der al te kraken en de eerste trillingen kondigden een aardbeving aan, een aardbeving waarvan Von Unruh verslag zou doen.

Von Unruh (1885-1970) stamde uit een oud Pruisisch, adellijk geslacht waarin het sinds eeuwen normaal was dat de mannen een militaire carrière najoegen. Zijn vader was generaal en rond 1900 commandant van de vesting Königsberg en het was bijna vanzelfsprekend dat de kleine Fritz naar de kadettenacademie in Plön ging. Daar leerde hij tot in alle finesses wat het Pruisendom inhield. Hij maakte kennis met de kadaverdiscipline en ook met de arrogantie van de militaire kaste die in alle burgers mensen van minder allooi zag. Fritz, teerhartiger dan zijn met een dikkere huid uitgeruste klasgenoten, leed en rebelleerde innerlijk. Toch viel uitgerekend hem de grote eer te beurt in het Prinsenhuis in Plön samen met de keizerszonen Oskar en August Wilhelm opgevoed te worden. Elf jaar was Von Unruh cadet en zeven daarvan medescholier en vriend van de prinsen. En hij kon er trots op zijn dat hij uit handen van de keizerin zelf zijn einddiploma in ontvangst mocht nemen. Na zijn opleiding werd hij bijna logischerwijs officier in een Berlijns garderegiment, maar wel een tamelijk ongewone officier. Hij ging naar literaire lezingen aan de universiteit en mengde zich in kunstenaarskringen. Vooral het toneel had zijn warme belangstelling. Zo begon er hoe langer hoe meer wrijving te ontstaan tussen de militair Von Unruh en de ontluikende kunstenaar. Aangemoedigd door de opvoering van zijn jeugdwerk Jürgen Wullenweber schreef hij in 1911 zijn eerste echte stuk Offiziere en leverde dat in bij de beroemde Max Reinhardt. Die zag een dramatisch talent in wording en accepteerde het. Nu stond officier Von Unruh voor de beslissing van zijn leven. Zijn regimentscommandant stelde hem een helder ultimatum. Als het stuk opgevoerd zou worden, betekende dat einde dienstverband. De keizerin trachtte nog te bemiddelen maar Von Unruhs besluit stond vast en hij verliet het leger. Reinhardt ensceneerde Offiziere groots en het werd een denderend succes. Een jaar later volgde Louis Ferdinand Prinz von Preussen, een historische behandeling van een Pruisisch conflict dat zeer actueel uitgelegd kon worden. Waarschijnlijk mede door de laatste woorden - ‘Sucht Preussen. Es gibt keine Preussen mehr!’ - werd dit stuk getroffen door een veto van de keizerlijke censors. Het ontmoedigde Von Unruh niet. Hij ging op reis om nieuwe indrukken op te doen, een periode die eindigde door het uitbreken van de oorlog. Nog eenmaal speelden in hem de militaire genen op. Hij meldde zich vrijwillig en als ulaan reed hij over Rijn, Maas en Marne de ‘frischfrölichen Krieg’ tegemoet. Als patrouilleofficier werd hij van zijn paard geschoten en lag een nacht bewusteloos en totaal uitgeput op een dode Franse infanterist; een mooie kennismaking met de oorlog. In oktober 1914, toen het Duitse leger nog helemaal in de ban was de eerste snelle overwinningen en de eindzege op zak leek te hebben, schreef Von Unruh het gedicht Vor der Entscheidung dat als defaitistisch werd gezien en hem voor de krijgsraad bracht. Gelukkig voor hem trof hij een zachtmoedige rechter zodat het niet tot een veroordeling kwam. Toen volgde de loopgravenoorlog, ook voor de ulanen die van hun strijdrossen moesten afstijgen naar de modder die hen lang in een ijzeren greep zou houden. Von Unruh beleefde de hel van Verdun waar binnen enkele maanden 600.000 Duitsers geofferd werden. Daar schreef hij zijn antioorlogsboek Opfergang (Offergang), een wild, dynamisch prozastuk met als doel tegenover de waanzin van de oorlog de hoop op en de wil tot een vernieuwing en zuivering van de mensheid te plaatsen. Daar, te midden van het oorlogsinferno, zwoeren Fritz von Unruh en een groep medeofficieren hun Verdun-eed: ‘Nooit weer!’ Het manuscript van Opfergang, dat in kopieën zijn weg vond door de loopgraven, mocht natuurlijk niet gepubliceerd worden. Dat zou pas in december 1918, dus na de oorlog, gebeuren. Op 16 juni 1916 mocht hij delen van zijn boek aan de kroonprins en zijn verzamelde staf voorlezen. De volgende dag ontving hij een marsbevel waarin stond dat hij zich moest melden bij een pioniersbataljon in de voorste frontlijn met als opdracht de sterkte vaststellen van de vijandelijke linie. Ter ontlasting van de kroonprins moet gezegd worden dat hijzelf aan deze overplaatsing part noch deel had en toen hij erover hoorde onmiddellijk stappen ondernam om haar ongedaan te maken. Het was allemaal ook niet niets. Een Pruisische officier uit een oud adellijk geslacht die alle banden verbrak met zijn afkomst waarin het militaire hoog in het vaandel stond. Het ging hem niet om een bandeloze vrijheid maar om het aangaan van diepere verplichtingen voor het heden en de toekomst opdat er een menswaardiger bestaan mogelijk zou worden. Hier openbaarde zich een humanitair expressionist in optima forma. Voor hem gold de plicht tot liefde die geen grenzen kent. De mens is in die visie een onderdeel van een broederschap die de naties overstijgt. Als officier opgeleid voor het oorlogshandwerk werd hij in de oorlog tot een opposant, niet tot een theoretische pacifist maar tot een soldaat voor de vrede.Na de Eerste Wereldoorlog beleefde Von Unruh zijn glansperiode. Zijn boeken verschenen en verkochten goed, zijn toneelstukken werden gespeeld en hadden veel succes. Als eerste Duitse schrijver werd hij na de oorlog officieel uitgenodigd voor bezoeken aan Parijs en Londen. Het was bijna een diplomatieke missie. In het reisboek Flügel der Nike deed hij er verslag van. Maar al snel voelde de jonge Duitse republiek waarin hij leefde zich door openlijke en heimelijk tegenstanders bedreigd. Von Unruh had heel goed in de gaten wat er aan de hand was. Hij was bitter teleurgesteld over de eedbreuk van zijn vrienden van Verdun die hoge posities in de militaire wereld waren gaan bekleden. Hoewel hij heel goed wist dat het hem niet in dank zou worden afgenomen wanneer hij zich als schrijver in de politieke arena zou begeven wierp hij zich toch op als redenaar voor de goede zaak. Natuurlijk was hij zich er zeer van bewust dat de weerstand tegen hem groeide. Op 18 januari 1932 hield hij in het Sportpaleis van Berlijn voor 20.000 mensen zijn beroemdste rede. Met veel pathos hamerde hij het publiek zijn boodschap in: ‘De Duitse republiek is voor ons geen politieke frase maar een morele plicht.’ Een jaar later probeerde hij een ijzeren front te vormen tegen het opkomende fascisme. Maar de door hem opgeroepen Duitse intelligentsia liet het in groten getale afweten. De fortificatielijn tegen het de racistische, volkse, antidemocratische terreur, de lijn die weerstand moet bieden aan een uitbraak van nauwelijks eerder gezien barbarij, kwam niet tot stand. Dat Von Unruh tot de eersten behoorde die na het aan de macht komen van Hitler het veld moesten ruimen, spreekt vanzelf. Met zijn vrouw Friederike vertrok hij naar Frankrijk, het begin van een zwaar emigrantenbestaan. Nadat hij aan het begin van de oorlog in een kamp gevangen was gezet, gelukte het hem onder zware ontberingen naar Spanje te vluchten en vandaar naar Amerika waar Albert Einstein het echtpaar uit een kamp voor ongewenste vluchtelingen wist te verlossen. Von Unruh bleef romans en toneelstukken schrijven en begon ook te schilderen. Vooral door de verkoop van zijn schilderijen kon hij voorzien in een bescheiden bestaan. Na de oorlog riep Duitsland zijn ‘soldaat voor de vrede’ niet onmiddellijk terug. Pas in 1948 verleende de stad Frankfurt hem de eer in de Paulskirche de feestrede te houden bij het eeuwfeest. Toen betrad Von Unruh voor het eerst sinds vijftien jaren weer Duitse bodem. Heel welkom heeft hij zich nooit meer gevoeld. De herbewapening bracht hem ertoe in de jaren vijftig af en toe weer zijn toevlucht te zoeken in het buitenland, met name in zijn kleine woning in Atlantic City. Vanaf 1962 woonde hij permanent in de van zijn moeder geërfde hofstede ‘Oranien’ bij Diez an der Lahn waar hij op 28 november 1970 stierf.

Offergang

In tegenstelling tot veel boeken die verslag doen van frontervaringen in de Eerste Wereldoorlog ligt in Offergang allerminst de nadruk op de krijgshandelingen. Natuurlijk lezen we over gierende granaten en vernietigend mitrailleurvuur maar de bladzijden waarop dat de overhand heeft, zijn op de vingers van een hand te tellen. In een barok expressionistische taal beschrijft Von Unruh veeleer de gemoedsbewegingen van zijn hoofdpersonen. In die beschrijvingen, vooral in die van dromen en hallucinaties, lopen de emoties hoog op. Von Unruh kiest - en daarin sluit hij zich wel aan bij veel schrijvers over WO I - voor een beperkt aantal hoofdpersonen dat steeds terugkomt. Aan hen hangt hij zijn ideeën over de oorlog op. Al heel vroeg in het boek laat hij de schoolmeester Clemens zijn humanitair expressionistische overtuiging verwoorden.

‘Vrienden,’ ging Clemens verder terwijl hij sissende aardappelschijfjes met zijn mes omkeerde, ‘geef mij een vlag, helder als de hemel, en ik zwaai hem over de aarde, tot de wapens zwijgen en mannen elkaar weer de hand reiken!’ 

De hang naar broederliefde die in deze stroming de boventoon voert (vgl. in het Nederlandse taalgebied Van Ostaijens Het Sienjaal uit 1918) is ook elders in het boek manifest evenals het lot dat maar moeilijk te bekampen is. Het woord ‘Schicksal’ is dan ook niet van de lucht. Sergeant Hillbrand wordt er helemaal door geobsedeerd.

Voor de eerste keer in zijn bestaan ervoer hij hoe een machtig lot boven hem en de hele wereld hing. Met uitgestrekte armen rende hij het tegemoet. ‘Kom nader, kom nader, ga in vervulling!’ Hij zweefde over de aarde alsof hij vleugels had.

In de figuur Hillbrand wordt de tegenstelling leven-dood het duidelijkst aan de orde gesteld. Thuis is zijn vrouw in verwachting en ze zal het leven schenken aan een gezonde baby. Hoewel Hillbrand zich aan het front bevindt, weet hij, te midden van een van de grootste slachtingen uit de wereldgeschiedenis, intuïtief dat hij vader is geworden. Dat hij de slag bij Verdun niet zal overleven spreekt bijna voor zichzelf.                                        

Vele militairen die een plaats krijgen in Offergang hebben zo hun twijfels over de groteske onderneming waarin ze verzeild zijn geraakt. Kapitein Von Werner is een van degenen die dat duidelijk uit.

De kapitein nam zijn dagboekje uit zijn borstzak en schreef: ‘Twijfel steekt heftig de kop op. Gruwelijk als een gifzwam. Tienmaal per dag probeer ik haar uit roeien. Honderdmaal keert ze terug.’

Een van de opvallendste figuren uit Offergang is de kelner. Hij is een gevoelige geest die graag mag denken aan de idyllische tijd voor de oorlog waarin hij zijn bescheiden rol speelde in een schijnbaar rimpelloze maatschappij. Hij droomt over de tijd waarin hij ijspunch ronddroeg en rode lippen aan rietjes zag zuigen en waarin hij ranke automobielen als zwanen aan zag komen glijden terwijl grind tegen marmeren trappen van de uitspanning spatte. Het is niet verwonderlijk dat Von Unruh hem kiest als het individu dat breekt onder de gruwelijke omstandigheden waarin het noodgedwongen verkeert. Het is de kelner die door zijn wanen in een hospitaal achter de linies terechtkomt waar hij doelloos ronddwaalt. Hij is knettergek geworden en ziet de vreemdste beelden.  

Toen riep hij: ‘Ah, heb medelijden, heb medelijden! De wegen, die vreselijk wegen! Geef ons mensen, geef ons spaden! Maar voor hij verder een woord kon uitbrengen, strekten zich tweeduizend armen uit en grepen evenzovele houwelen en schoppen, en meer. Wagonladingen basaltgruis vulde alle gaten in de wegen. Stoomwalsen plette het en maakten het glad. Bruine mannen, een groep gevangenen met witte, rode en oranje petten en schouderriemen werkten dag en nacht en veegden de modder ter zijde. In zijn koorts dacht hij nu dat hij in een bruiloftskoets zat en hij lachte ongecontroleerd om de gouden serpentines, de vrolijk opgetuigde paarden en de koetsier met de zilveren kokarde op zijn zweep. Maar plotseling vielen de paarden, verstrikt in draad, dat langer en langer werd en zich, voorzien van prikkels, onophoudelijk rond de koets wond, rond de mannen, rond vriend en vijand, rond de hele aarde. Verpletterd onder het gewicht probeerde hij overeind te komen. ‘Waarom wurg je mij, waarom snijd je me de adem af?’ Maar over een gebied van honderden kilometers zag hij niets dan prikkeldraad. Lange vingers grepen in zijn brein en trokken de zenuwen naar buien, naar het draad.

Een element dat in Offergang zeker niet ontbreekt is het cynisme. Wij kunnen ons tegenwoordig nauwelijks iets voorstellen bij het aantal slachtoffers dat bijvoorbeeld op de eerste dag van de slag bij Verdun te betreuren was. En dan te bedenken dat het de daaropvolgende dagen nauwelijks minder was. Von Werner en zijn mannen zitten er middenin en zijn zelf ook verantwoordelijk voor honderden doden en gewonden.

Aan het slot van Offergang is er een korte blik op het thuisfront. Het is onthutsend te lezen dat de mensen daar er niets van begrijpen. De oorlogsellende is ver van hun bed. Waarom doen jullie niet even dit of dat? Waarom hebben jullie die Fransen niet allang in de pan gehakt? De tamboer Preis die tijdens een tramrit in Frankfurt op deze zee van onbegrip stoot, wordt het groen voor de ogen. Hij weet hoe de werkelijkheid eruit ziet.

Dulce et Decorum - Bibliotheek van de Eerste wereldoorlog nieuwsbrief

Blijft op de hoogte: